Personen- en familierecht

Exclusief gebruiksrecht van de huurwoning bij een relatiebreuk

Bij relatiebreuken met gezamenlijke huur van een woning ontstaat vaak een geschil over wie in de huurwoning mag blijven wonen. Een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland in een kort geding, toont aan hoe de rechter dit beoordeelt. Het ging hier om een zaak waarin de man wegens huiselijk geweld op dringend verzoek van de politie, de gezamenlijke huurwoning had verlaten. De vrouw startte een kort geding op om alleen met de kinderen, zonder de man, in de gezamenlijke huurwoning te blijven wonen. In diezelfde procedure vorderde de man echter om de gezamenlijke huurwoning -naast de vrouw- te mogen gebruiken, waarbij partijen week op week af het exclusieve gebruik van de gezamenlijke huurwoning hebben. Hierdoor kunnen de kinderen van partijen gewoonweg in de gezamenlijke huurwoning blijven wonen.

Spoedeisend belang en spanningen

De rechter constateerde dat de spanningen tussen partijen zo hoog waren opgelopen, dat samenwonen niet langer mogelijk was. Beide partijen hadden aldus een spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering om in de huurwoning te mogen blijven wonen.

Rechterlijk oordeel: belangenafweging

Op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek werd door de rechter een belangenafweging gemaakt. De rechter oordeelde uiteindelijk dat alleen de vrouw in de (voorheen) gezamenlijke huurwoning mocht blijven wonen, mede omdat de kinderen voornamelijk bij haar verbleven en het belangrijk was hun stabiliteit te waarborgen. De man had volgens de rechter bovendien een alternatieve woonruimte en betere kansen op nieuwe huisvesting.

Rechterlijke oordeel: afwijzing gedeeld gebruik

De rechter wees het verzoek van de man af om de (voorheen) gezamenlijke huurwoning -naast de vrouw- te mogen gebruiken, waarbij partijen week op week af het exclusieve gebruik van de gezamenlijke huurwoning hebben. Dit omdat er geen zorgregeling was vastgesteld.

Conclusie

De man werd door de rechter veroordeeld om zich uit te schrijven van het adres van de (voorheen) gezamenlijke huurwoning. Mocht hij dit niet doen binnen de door de rechter vastgestelde termijn, dan zal hij een dwangsom dienen te betalen aan de vrouw van € 250,- per dag met een maximum van € 5.000,-.

De volledige uitspraak leest u via de volgende link: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:9377.